Vinnig met vis

Het gevecht vond plaats in open water. Zestien graden, maar wel veel stroming.

Hij probeerde me buiten westen te meppen met een slag van zijn machtige lichaam. Ik las bijtijds zijn blik en dook onder het gevaarte door om uit de actieradius van zijn reuzenstaartvin te komen. Hij keek mijn manoeuvre grijzend aan en gaf me daar een lap boven op mijn kop. Met de staart, horizontaal.
Ik duizelde naar beneden, bewusteloos. De walvis liet de boel de boel en zwom al neuriënd van “Vicious” naar ongekende oorden.

Ik zonk dieper, steeds dieper. Ademhalen werd onmogelijk, ik kreeg water binnen, verslikte me en word hoestend wakker.
Nog bijkomend van mijn zee-avontuur laat ik de film van het gevecht aan me voorbijtrekken. Het was nochtans een goeie beweging van mezelf vond ik.
Hoe heeft die drommelse vinvis me dan op de kop kunnen meppen?
Zou dat nou dat…?

Inderdaad, Prof. Dr. Luc Bouwens bracht redding. Zeezoogdieren hebben een horizontale staart, vissen een vertikale.
En hoe kan dat eigenlijk dat ik dat niet weet tijdens mijn droom, en die walvis wel?

Ringtoongevecht

Ik heb een gsm.
Ik kan er mee bellen en mee sms’en.
Ik kan zelfs een eigengekozen geluidje laten klinken als ik een sms krijg.
Bij mij is dat een vink.
Telkens ik een sms krijg zegt mijn gsm tsjitsjitsjitsjitsji-suskewiet.
Ik vind dat tof.

Ze ging tegenover me zitten op de bank in de wachtzaal van het station.
Ze was veel te hard geschminkt, maar toch mooi. Ze had een warrige bos opgestoken rosse krollen en was bepakt en bezakt met twee hangtassen en zo’n oma-karretje in burberry.
Ze plofte neer. Nee, dat is niet waar, ze vleide zich eerder behoedzaam neer, maar was toch blij dat ze kon zitten.
Toen ging haar gsm af. Mioow mioow. Het gejengel van een klagend kattejong. Mii-oow mii-oow. Het gemauw werd intenser.
Ik dacht, als mijn gsm nu afgaat, wordt het comedy.

Het gemauw ging door terwijl zij in de binnenzak van haar jas zocht.
Ze haalde er geen gsm uit, maar een -ochot ochere- grijze kitten, met helblauwe oogjes dat ‘de mama’ smekend aankeek. Mioow.
Ze zette de kattekop op haar schoot en aaide het. De kleine keek scheel van genot en spinde dat het een lieve aard had.
Het beestje maakte niet de minste aanstalten om van de schoot af te wippen, ook al kon het dat makkelijk. Leiband noch hand hielden het tegen.
Ik dacht, als mijn gsm nu afgaat, wordt het drama.

Ik heb een gsm.
Ik kan er mee bellen en mee sms’en.
Ik kan er zelfs een vink mee doen tsjilpen.
Ik kan er foto’s mee nemen.
Maar mijn bluetooth is kapot. Ik krijg de foto’s er niet af.
Je zult bovenstaand tafereeltje moeten geloven zonder beeldmateriaal.

 

 

 

 

Gelijkaardig kattekopje

Gelijkaardig kattekopje

Rebel met Rekenmachine

Het is zover ; het langverwachte drama heeft zich aangekondigd. Op kousenvoeten sloop het ons gezin binnen, we wisten dat het zou gebeuren en toch pakt het je koud bij je nekvel wanneer je er eventjes niet aan denkt. Voorbij kindertijd, voorbij Sinterklaasnervositeit en ouderliefde, de puberteit slaat verpletterend toe.

Toen ik haar vroeg of ze wist of zoonzap thuis was, antwoordde ze: “Hoe kan ik dat nu weten!?” Op een toontje van: “Gij vermaledijde luis, wat komt gij vanonder die steen gekropen om tot mij, mij! het woord te richten. De schaamte voorbij.”
En dat zei onze jongste! Dertien en een half is ze.
Het laatste kind is verdwenen, een nieuwe puber maakt zijn opwachting.Stiekempjes hadden we nog gehoopt dat zij niet zou puberen. Nee, zij niet. Zij, de stilste, altijd meest bedeesde van de vier; Zou zijn ook? Ja dus.

Gelukkig doet zij het voorlopig niet met hoge woorden, gescheld en getier zoals de andere drie. Nee, zij trekt zich terug in haar kamer met oortjes in en een verzameling strips. Iedere avond doet ze dat.
Zou ze dat nu echt doen? Ik besloot poolshoogte te nemen en klopte op haar deur. Geen geluid. Ik klopte nog eens. Nog steeds niks. Geen antwoord, geen vin verroerde zich.
Ik drukte behoedzaam de klink naar beneden en stak een neus in de kamer. Zij was er niet.Ze lag niet op het bed, haar stapel strips lagen wanordelijk over de vloer verspreid, maar zij was er niet! Of toch, daar, er bewoog iets, nauwelijks, maar toch.

Als een versteende Saphho zat ze aan haar lessenaar. Voorovergebogen met de punt van haar potlood in haar mond. Ik sloop naderbij. Ze had haar oortjes in, en schrok toen ik vlak achter haar stond. ”
O”, zei ze. En ik dan: “Ei!” En zij weer: “A”.
“Wat ben je aan het doen?””Ik ben extra oefeningen van wiskunde aan het maken (ze haat wiskunde). De moeilijke oefeningen. De juf zei dat we ze niet moesten maken, maar als we ze toch zouden maken, dat we dan geen rekenmachine moesten gebruiken. Maar dat doe ik lekker wel!”

Wat is ze toch een rebel. Dat ze zo mag blijven.

Mensen kijken

Er bestaan mensen in allerlei formaten.
Je hebt er van die normale en je hebt er van die normale met een helm op.
Sommige van die normale hebben een overall aan, en sommigen hebben een overall én een helm aan.
Soms zelfs met een hemd en plastron eronder.

Maar sommige mensen hebben lichtgevend oranje haar, groene stekeltjes of een Leopold II-baard.
Soms staan ze vol met tattoeages en soms lopen ze op heel vreemde naaldhakken.
Heel soms hebben zij die op van die heel rare naaldhakken lopen ook tattoeages. Boven de enkel en vandaar het been omhoog, kronkelend op weg naar een blote rug.

Er bestaan van die normale mensen die op een bureau zitten. Of erachter. Heel soms eronder.
Je hebt van die normale mensen met een helm op die door een fabriek lopen. Als de normale mensen met een helm achter een bureau zitten, dan hangt hun overall en hun helm netjes aan de kapstok. Vanop hun bureau kijken ze naar een maquette van de Solar Impulse.

solar-impulse-plane

De mensen met de tattoeages voetballen met zijn drieën in de gang. Die met de vreemde hakken en haar collega met de teensletsen rollen ruggewaarts voor en achter op een yogabal.
Op hun bureau staat Andy de hamster.

Andy the Hamster
Maandag was ik bij een klant in de Antwerpse haven, die zwaarvervuilende dingen doet met petroleum.
Vanaf woensdag en de komende weken doe ik mijn ding in een reclamebureau.
Die met de helmen zijn van de maandag.

Poes is dood

Poes, toen al ferm vermagerd

Poes is dood.

Poes is dood. Het klinkt nog een beetje onwezenlijk. Poes, onze oudste, is niet meer.
Poes was haar roepnaam. Omdat dat een van de eerste woordjes was van onze toen achttien maanden oude  dochter: Poesj poesj poesj! Zo werd de poes Poes.

Maar zo werd ze zelden genoemd. Alleen als ze weer eens een stukje kaas van de tafel pikte, dan was het: Poes!Meestal werd over haar gepraat in derde persoon.
Tegen mij: Zeg, jouw vriend de poes heeft vandaag weer…
Tegen hem: Ga maar naar vriend de mens, hij zal voor jou…

En nu is ze er niet meer.
Gestorven van de ouderdom, vermoedelijk nierfalen en een hartinfarct of zo. Ze was net niet dement genoeg om er zelf veel last van te hebben.
Ze is er niet meer. Ze ligt nu begraven achter in de tuin, met een kruisje erop van sparrenhout.

Mijn vriend de poes.
Knuffel.

Postbode pesten of Smeerpoetsen van mezen

Wij hebben een lieve postbode. Zo eentje met een baard en een rode bestelwagentje. Hij stopt brieven, rekeningen, tijdschriften en ander lekkers in onze brievenbus. Ik weet wel, het is zijn job, maar je moet het toch maar doen. Onze brievenbus is echt wel onheilspellend lelijk.Lelijk, maar ook aantrekkelijk voor vogeltjes. Vooral mezen zijn ervoor te vinden. Als de lente is in ’t land, dan broedt de mees op onze krant. Kunnen we mee leven, alleszins beter dan: De winter is henen, de lente is hier, daar krasselt een lammergier.

Da’s nu al het derde jaar op rij, dat koolmezen ons manueel meelrecipiënt verkiezen tot broedplaats. Ze proppen de brievenbus vol met mos en vooral veel zacht materiaal, pluimpjes en pluisjes en zo, en dan gaan ze er eitjes leggen. Zes hadden we er dit jaar. Natuurlijk kan het niet dat mamamees of papamees op hun nest zitten en dan een rekening van de Pidpa in hun oog krijgen. Of godbetert een reclamefoldertje op glanspapier van een politieke partij. Je zou voor minder koekoek worden.

Dus hebben wij een nep-brievenbus gemaakt, die tijdens de broed dienst doet als officiële brievenbus. Met duidelijke richtlijnen voor de postman.
Wij hebben een lieve postbode, ik zei het al. Dus die brave borst houdt zich netjes aan onze richtlijnen:
vuilnisbak open, post erin, vuilnisbak weer waterdicht afsluiten, schoenen uit, en de wagen op sokken tot bij de buur duwen, zodat onze mezekes goed kunnen uitrusten van wat vast wel weer een drukke nacht was. Voilà.
Dit jaar hebben we de eerste vlieglessen gemist. Normaal proberen we de mezen een beetje te helpen door uitvliegtakken te plaatsen zodat de baby-stuntvliegers niet onmiddellijk ter aarde neerstuiken als ze aan hun maidentocht willen beginnen. Maar dit jaar zijn we het halvelings vergeten. Niet helemaal, zo’n lanceerplatform voor mezen is dan ook weer heel aantrekkelijk voor poezen. Maar dit jaar was het nest plots leeg. Eitjes opengebroken, vogeltjes weg. Zijn ze opgegeten door een of ander beest, of zijn ze op eigen kracht weggeraakt we hebben er het raden naar.

De brievenbus lieten we staan, want daar moesten we nog een fotootje van nemen als het licht goed zat. Voor op de blog. Maar toen heeft het zes weken geregend en kwam het er niet van. En al die tijd heeft Postman Pat netjes alle post in de vuilnisbak gestopt, dekseltje open, dekseltje dicht, schoenen uit etc.

Tot het verleden week drie kwartier zonnig was en ik het plaatje fotografeerde. De postbode was nu genoeg gepest. Ik nam de vuilnisemmer weg. De brievenbus moest uitgekuist worden. Een paar weken met zijn zevenen in een nestje van mos zitten, heel fris kan dat niet zijn. Vogeltjes willen liefst ook zelf telkens een fris nestje maken. Ik opende het deksel en toen kreeg ik boze mamamees in mijn gezicht: tjsitjsitjsitjsitjsitjsitjsi en weg was ze. Er lagen weer zes eitjes.
De emmer staat er terug, de postbode moet nog wat langer op zijn sokken lopen, en menslief wat heb ik smeerpoetsen van mezen deze keer.

Dappere postbode die dit gedrocht dagelijks moet trotseren
Dank, de mezen

Het voetje krijgen

Kennen jullie dat: het voetje krijgen? Als je op onze autotraagwegen lekker file staat, of aan schildpaddentrek avanceert richting ondergaand humeur, dat er dan zo’n gehelmde motorrijder voorbijrijdt tussen het eerste en het tweede vak door, je kent het? Wel, als je die motorrijder ziet afkomen, met rechte rug, handen losjes op het stuur aan een matige vijftig (toch een 1000% meer dan wat jij rijdt), dan ga je nog wat meer aan de kant rijden zodat hij alle ruimte krijgt om elders te verongelukken. Als je dan een sympathieke motormens hebt, dan krijg je van hem of haar ‘het voetje’. Dan bedankt hij je door zijn voet eventjes van de versnellingen te nemen en met de tip in je richting te wijzen, zijn manier om je te bedanken voor je attente rijstijl. Wel, dat noem ik ‘het voetje krijgen’. Als je maandenlang in de file zit, kan dit onnozele spelletje het humeur nog iet of wat op peil houden: om ter meest voetjes krijgen. Het is niet veel, maar het is toch iets om je aan de mensheid op te trekken.

Ook verleden week reed ik mezelf in ons dorp vast in een plaatselijke file. Zowel richting Aldi als richting niet naar de Aldi zat alles dicht. We schoven met zijn allen wieltje voor wieltje, ribbel voor ribbel, millimeter voor millimeter toen plots een knetterend geluid, type kaduke grasmaaier, aanzwol. Tegen topsnelheid, een slordige vijfentwintig per uur kwam een snorfiets aangesjeesd met daarop een ventje van achtentachtig met witte snor en groene pothelm op. Ik schrok me een punthelm en  trok in een wilde beweging mijn stuur naar links. Het ventje passeerde knalpottend en gaf mij het voetje. Ik heb er de rest van de dag om gegniffeld.

vrroemm

Zoiets, maar dan met een pothelm op een snorfiets, besnord en 88 jaar oud

Breken – een drama in vijf deeltjes

Inleiding – Breek de code
Al maanden loert het ons aan, dit mysterie, vanop pagina ‘5 mei’ van de kalender. In beverig klein potloodgeschrift neergekriebeld staat ons daar naar ons te loensen: ‘toneel Karen’.
Geen uur, geen titel, geen locatie, niks. Alleen die twee woordjes: toneel Karen.

Karen kennen we, dat is een collega van Zap.
Toneel kennen we ook, dat is het leven spelen maar dan anders.
En zelfs bij de combinatie toneel Karen kunnen we iets verzinnen. Karen heeft voor ons kaarten gekocht voor een toneelvoorstelling en wij weten niet meer dewelke.
Curiezeneuzen bellen dan Karen bellen om duiding. Maar ik ben daar niet zo nieuwsgierig. Zapnimf daarentegen! Maar die is dan vergeetachtig en somtijds een tikkeltje lui.
Door die combinatie werd het geheim pas opgehelderd de avond voordien: de voorstelling is, nikske toneel natuurlijk, Kommil Foo met hun nieuwe show “Breken”. En was die voorstelling nu in het Bruggeske of in het Kerkske? Neuh neuh neuh, in de Arenbergschouwburg, mevrouw. Toe maar, in de Arenbergschouwburg.

Zeer op niveau
Voorspel – Breek de tijd
We waren aan de krappe kant, want we moesten vroeg zijn: het waren ongenummerde plaatsen.
De auto werd op een boogscheut (uit een klein boogje) van de theaterzaal weggestopt, de parkeermeter gevoerd met nikkelwerk en haastig haastig stapten we fiks, fors en kordaat naar de place to be. Wel een beetje knorrig omdat de kaarten 25 euro kostten. Ook dat waren we vergeten. Kommil Foo is wel goed, maar 25 euro, dat is er toch net over.
We bleken uren te vroeg. Want de plaatsen waren wél genummerd. Zelfs die van ons. Alleen stond naast de plaats: Loge(*) 11, stoel 3 ook nog “ongenummerde plaatsen” gedrukt. Om de mens in verwarring te brengen, zo zijn die sinjoren.

Hoofdvogel – Breken van Kommil Foo
De show begon met een stekkedozeke en het eindigde met een volmondig meegezongen:
Faldera faldera hopsa, vrolijk zijn!
Het blijft alleen nog wachten op Magere Hein
Nooit vergeten dat we allemaal de pijp uit gaan.
En er tussenin was alles zeer zeer zeer goed. De helft van de tijd was Zap aan het snotteren, en de andere helft was ze aan het gieren van het lachen. En ja, we zijn in die periode, maar toch!
De 25 euro gaven we er gaarne aan. Gaat dat zien, gaat dat zien. Bij u in de buurt zal het goedkoper zijn. Voilà, zeg dat ik het gezegd heb.

Naspel – Breek de conversatie
De avond werd afgesloten met een nakaart rondje, besproeid met duveltje, koffie, kriek, wijntje, cola. Zo van die dingen. Zap voerde het hoge woord, en iemand anders uit het gezelschap deed duchtig mee. Pas naar het einde toe vond ik een gaatje waar ik een leuke anecdote kon tussenwriemelen. Jeuj. Ik verhefte mijn stem, maakte een wijde gesticulatie, en kletterde de volle melkkan met een armbeweging, hoppakee over mijn broek, de tafel, de stoel, het parket. Maar vooral toch over mijn broek. Mensen vragen zich soms af waarom ik zo weinig zeg. Omdat ik praat met mijn armen. Daarom dus.
De rest van de avond zat ik de deppen en te betten en rook ik naar baby-overgeefsel. Fijn.

Slot & Nieuwe start – Breken/Brak/Gebroken
Verheugd en voldaan stapten we naar onze wagen, waar de volgende episode van Breken begon…

De bolide eens weer thuis

Met brakke grondsmaak, zonder GPS noch zonnebril op sterkte de nacht door

(*) Jawel, wij zijn logemensen, wij zitten verheven boven het plebs(**).
(**) ’t Was allemaal dezelfde prijs, we waren gewoon vroeger met onze reservatie. Of wat dacht je.

Peperduur en moeilijk te kloppen

Hatchie.
Merci.
Niks ergs hoor. Geen verkoudheid of zo, alleen maar peper.
Wat? Neen, geen gewone peper, neen dat niet, geen gewone peper meneer maar recórdpeper. Jawel. Recórdpeper. Ontdekt verleden week.
Verleden week trok ik de keukenkast open, die boven de kookplaat.

Het flesje peper stond daar al wel eventjes in de kast, onschuldig ogend, naast een nietsvermoedend potje oregano en die griezelige gember, weggedoken wachtend op ontdekking.
Maar peper moest ik niet, ik rommelde achteraan op de schabben, blind tastend naar de kaneel. Ik greep dan ook de kaneel bij zijn lurven, dacht ik, maar het bleek de recordpeper.
Eerst had ik het zelfs niet door. Eerst dacht ik nog: o, kijk, een potje witte peper. Smoezelig etiket, oranjerode dopje en al wat kleverig. Gewone witte peper ogenschijnlijk, vermoedelijk ooit eens in een opwelling gekocht in de GB.
Ik wou ze al gewoon terugzetten, en toen zag ik het! Meteen gingen alle alarms af, confetti dwarrelde naar beneden en The Stars and Stripes denderde door de boxen. Paapaa-pappapaapappapaah! The standing record has been pulverized!

Tranen bij de Motilium400, die haar record meteen mocht inleveren. Tandengeknars bij de zoete uien op wijnazijn en een sippe lip bij de brandzalf. Zij werden in één klap gewist uit het grote boek der geschiedenis.

Het was nochtans mooi geweest. Van 5 maart 2007 tot 8 april 2012. Net geen vijf jaar was het record in handen van de Motilium400.
Het vorig record werd gevestigd op een even regenachtige namiddag als vandaag. Toen we onszelf vervloekten omdat we zopas begonnen waren aan het verven van de badkamer. ’t Leek nergens op. (Bewijzen? Vwalla). En vooral, het was niet zo’n prettig werk.
Dat schilderen valt eigenlijk nog mee, maar het is al die voorbereiding vooraf. Gaatjes vullen, gladschuren, verf kopen, kasten leegmaken…
En het was bij het leegmaken van die kasten dat de Motilium terug onder de levenden kwam. Houdbaarheidsdatum 31-5-2003. Meer dan vier jaar over tijd.
Meteen werd besloten om het medicijnkastje uit te vegen en in een beweging de nog bruikbare drugs te scheiden van de bwofdatzalnogwelgaangeneesmiddelen. We gaan nogal graag uit van het principe dat iets wat steriel opgesloten werd in een luchtdichte verpakking en dan nog eens bestaat uit louter en alleen zeer diepzinnige onontrafelbare chemische formules niet uit zijn eentje plots rijper wordt. Maar heel soms neemt het gezond (pun intended) verstand het over van de gierigheid.

Dat was in 2007. En nu werd dat record verbroken, wat zeg ik, aan diggelen geslagen, verpulverd, tot nederigheid gedwongen door de witte peper.
Ik lees voor – hou je vast: witte peper, houdbaarheidsdatum 11-12-1996.Geen idee hoe dat potje zoveel tijd ongezien kon vegeteren op een plankje in de keuken. Houdbaarheidsdatum 1996, dat wil zeggen, gekocht ergens in 1993 of zo. Een snelle rekensom in combinatie met mijn verhuisverleden leert mij dat de peper gekocht moest zijn, nog door mijn ouders, vandaar verhuisd naar mijn kot in Antwerpen vermoedelijk als klein aanmoediginkje van mijn moeder om mij tot het koken te bekeren, vandaar een paar straten verder mee gedelocaliseerd naar mijn eerste appartementje, de wispelturige tijden meegemaakt van Gent, Heverlee, West-Vlaanderen om opnieuw te verzanden in Antwerpen. We schrijven ondertussen 2000, amper drie jaar en een half te laat. En dan nog een laatste move’je naar hier, om er weer zes jaar te verdwijnen achterin de keukenkast.
’t Smaakte niet meer zo scherp, maar slecht was het nu ook weer niet.

Ja, ze bestaan, die huishoudens waar de conserven macedoinegroentjes(*) het met jaren voorsprong halen op het botteljaar van de vroegste Bourgogne uit het wijnrekje naast de schoenenkast.
Weten jullie meteen waarom we bij feestjes vragen om zelf een hapje mee te brengen. Dood door decenniasprong wordt niet gedekt door onze familiale.

Een collector’s item: de fabriek ging failliet in 2008, en wij hebben nog een blikje!

Sliep-uit, sliep-uit!

Het lentezonnetje, dat kan toch goed doen. Zelfs de meest doorroeste kantoorwijken, gepramd tussen klaverbladen en provinciale dodenbanen, omzoemd door laagvliegende Boeings, krijgt plots een zachte blink.
Een lage zonnestraal doet het stof dansen op kantoor, een mens wordt er vrolijk van. En omdat het buiten nog vrolijker is, deed ik over de middag een stapje in de wereld.

Hoe grijs en grauw een Belgische industriezone of slaapstad ook mag zijn, altijd, maar dan ook altijd, vind je er een verloren stukje groen. Zo heb ik op vijf kilometer van de Nieuwstraat in Brussel ooit eens een koe omhelst. Okee, ik weet het, ik weet het, maar toch, probeer dat maar eens in Tokyo.

Ook in mijn zweetgemeente ligt een onooglijk parkje. Twee keer niks, een scheet groot, en de helft is dan nog opgeofferd aan de plaatselijke voetbalclub. Zo’n clubje dat al decennia pendelt tussen de nationale en regionale competitie.


Maar het was een park. En het was groot genoeg om een paar bankjes te herbergen, weggemoffeld in de schaduw van een struik. Daar ben ik gaan zitten, om mijn boterhammetje op te eten.
En passant keek ik naar de machtige houten pilaren aan de zoom van het gras. Kaal maar bottend. De takken strekten doelloos naar het vliegtuig dat een streep trok in de nog fletsblauwe lucht.

Aan een boom hing nog één fel groengeel blad. Het viel op omdat het zo contrasteerde met de bruine hersfstkleuren. Het was dan ook een zeer groot blad. Ik keek gebiologeerd naar het blad. Was dat wel een blad? Voor een boomblad was het me te groot precies. Een plastiek zak? Nee. Een vogel? Wielewaal? Maar die is geelzwart, niet geelgroen. Ik pienste mijn ogen en spitste de oren. Het was een vogel, en hij zei tji-puut, tji-puut, tji-puut. Ik ken geen vogel die tji-puut doet.

Ik sloop naderbij. Het blad bleef zitten. Toen kwam er een tweede blad aangewaaid. Het ging zitten naast het eerste blad en ze begonnen te kussen, en kopjes te geven: een koppel halsbandparkieten.

Dat had ik nog niet gezien in het wild. En daarna nog een, en daarna nog een koppel. Drie koppeltjes halsbandparkieten vond ik terug, daar in mijn groene driehoekje tussen alle denkbaar verkeer. Een cadeautje van Meneer Florizoone, toenmalige directeur van de Brusselse Meli, die in ’74 eens gek wou doen, en er een veertigtal losliet in hartje Brussel. Ik heb het opgezocht. Ze zijn ondertussen met 10.000 in België. Dus niet eens zo zeldzaam.

De halsbandparkiet. Ze zijn mooi groengeel, en ze zeggen Sliep-uit sliep-uit sliep-uit.
En toen was mijn middagpauze om.