Categorie archief: Bevroren tijd

Veiling van verdriet

Tafereeltje op de veiling.
Twee wanden van de zaal worden volledig ingenomen door rommel. Antiek volgens anderen. Volledige zolderkamers zijn leeggemaakt, oud kinderspeelgoed werd aangesleept, kelders uitgekamd en alles wat nog enigszins niet naar de verrotting rook, werd aangebracht voor de grote rommel- en antiekveiling ten voordele van onze vereniging.

Op een podiumpje vooraan stond Joost, voor de gelegenheid tot veilingmeester uitgeroepen. Wij sleepten de loten aan en hij prees de waar aan:
Een set van vijf verschillende potten Tupperware: we starten met 1 euro. Wie biedt er een euro. Een euro voor de meneer hier vooraan, wie biedt er meer, wie verdubbelt dit bedrag, Twee euro voor de mevrouw in het midden, twee euro voor de mevrouw in het midden, niemand meer dan twee, drie euro voor de meneer vooraan, vier, vijf, zes euro voor de meneer aan de zijkant, zes euro, niemand meer dan zes euro, niemand, zes euro voor deze set tupperwarepotten, zeg dat ze kapot zijn en je krijgt er nieuwe, niemand meer dan zes euro? Verkocht voor zes euro aan de meneer aan de zijkant.

En zo passeerden dozen vol keukengerei, etsen in chinese inkt, tinnen schotels, delfts blauw van de BP, oude prentenboeken en eightiesklokken de revue.
Ze werden aangedragen, geshowd, aangeprezen, afgeklopt, betaald en ingeladen. Joost deed dit goed.

De veiling ging zijn gangetje en toen kwam lot 53 aan de beurt. Een zak met daarin 10 DVDs van kinderfilms en nog een aantal videobanden. Ik neem er hier eentje uit, voilà: de kinderprinses. We starten met 1 euro, wie biedt er een euro?

Naast me staat een klein meisje, hooguit 9, misschien 10 jaar mee te kijken.
O, papa, ik heb die film ook, hé papa, ik heb die film ook, maar… PAPA! Dat zijn mijn films, EEEE, niet doen, papa dat zijn mijn films.
Rustig meisje je vond ze flauw, je wou er toch niet meer naar kijken.
EEJ, maar papa!

Joost gaat onverstoord verder: 3 euro, niemand meer dan 3 euro, vier euro heb ik hier, vier euro heb ik hier, vier euro, niemand meer? De DVDs gaan voor vier euro naar de meneer hier links vooraan.

De zak met video’s en DVDs worden overhandigd aan een opkoper in grijs kostuum en met witte baard. Hij heeft naast hem al een hele stapel staan van aangekochte rommel of antiek.
De meneer lacht in zijn grijze baard als hij de DVDs aanneemt. Hij diept 4 euro uit zijn zakken, geeft het aan de rondbrenger en zwaait dan naar het meisje: Hierzie meisje, zegt hij, je krijgt ze van mij.
Waarop het meisje prompt weer lacht, en haar eigen DVDs streelt en koestert alsof het de grootste schat ooit is die ze zopas heeft gekregen.

Homo met terugwerkende kracht

Ze stond naast me lekker te ruiken.
Mooi was ze ook, maar het was toch vooral haar reuk die me opviel.
Een vleugje sinaas, diep bedwelmende bloemen, een hint van zeem. Subtiel allemaal, maar toch intens.

Op slag was ik rustig, maar vreemd genoeg ook een beetje nerveus.
Ik werd teruggesmeten in de tijd, naar 1989, 1990, naar een groot houten tuinhuis, met blauw tapijt op de vloer.
Die barak was een aanbouw (of een voorbouw zo je wil) van een groot magazijn waarin een winkel was gehuisvest : Electro Vanderstichelen, ondertussen al lang naar de eeuwige champs magnétiques verdwenen.

In de winkel kwam ik zelden tot nooit, ik kwam voor de barak.
De barak was namelijk de CD-winkel.
Het leeuwendeel van mijn spaarcentjes: verjaardagsgeld, nieuwjaarszakcentjes, afwasgeld (ik was meesterafwasser in theehuisje Sint-Maarten, jawel) gingen op aan blinkende schijfjes.
Veel geld had ik niet, zakgeld was iets voor rijke kinderen, ik geraakte met schrapen en smeken hooguit aan 650 frank per maand. Maar dat was net genoeg om een CD te kopen bij Vanderstichelen.
De goedkoopste winkel, kilometers in de omtrek. In Kortijk was het -stel je voor- wel 799 frank voor een CD!

Om de twee weken zette ik mijn fietsje tegen het tuinhuis, cijferslot erop: 499 was de code, later 258, en dan ging ik de hele winkel af, beginnende bij de A en eindigend bij de Various Artists. Het was niet zo’n grote winkel.
Dat was als ik geen geld had. Als ik er wel had, dan deed ik eigenlijk precies hetzelfde, maar nam iedere CD die ik echt wou, uit de rekken en aan het eind was het kiezen: welke zou ik meenemen? En misschien kon ik er wel twee, als ik zo’n goedkope uitgaves nam van classic albums.
Een beetje nerveus was ik toen, een aangename opgewondenheid, maar ook een grote tevredenheid. Een apart gevoel.

De uitbater was een donkerharige man, heel netjes gekapt altijd, van begin dertig denk ik. Tot vanmorgen was hij volledig uit mijn geheugen gewist, maar nu zie ik hem opnieuw staan: witte broek, suede schoentjes, lichtgroene sweater, een zacht gezicht, zachte stem en hij rook naar sinaas, diep bedwelmende bloemen, een hint van zeem.
Toen heb ik er geen seconde bij stil gestaan, maar nu, met terugwerkende kracht denk ik, weet ik: hij moest homo geweest zijn. En pas op, duiken nu! Er komt een girafhoog cliché aangescheerd:
Dat verklaart ook meteen waarom er altijd een cd’tje van ABBA opstond.

Poes is dood

Poes, toen al ferm vermagerd

Poes is dood.

Poes is dood. Het klinkt nog een beetje onwezenlijk. Poes, onze oudste, is niet meer.
Poes was haar roepnaam. Omdat dat een van de eerste woordjes was van onze toen achttien maanden oude  dochter: Poesj poesj poesj! Zo werd de poes Poes.

Maar zo werd ze zelden genoemd. Alleen als ze weer eens een stukje kaas van de tafel pikte, dan was het: Poes!Meestal werd over haar gepraat in derde persoon.
Tegen mij: Zeg, jouw vriend de poes heeft vandaag weer…
Tegen hem: Ga maar naar vriend de mens, hij zal voor jou…

En nu is ze er niet meer.
Gestorven van de ouderdom, vermoedelijk nierfalen en een hartinfarct of zo. Ze was net niet dement genoeg om er zelf veel last van te hebben.
Ze is er niet meer. Ze ligt nu begraven achter in de tuin, met een kruisje erop van sparrenhout.

Mijn vriend de poes.
Knuffel.

Reetjes

Belach’lijke deadlines
Onhoudbare druk
Niemand die luistert
Interesse? Geen fuck!

Leugens, verdraaiingen
’t houdt echt niet op
Iedereen dekking
Te laat, jij krijgt klop

Loser, en nietsnut
’t Vliegt over en weer
Mails vol verwijt
en niks geen verweer

Het is niet de waarheid
Dat heeft geen belang
hou ‘k hier mijn postje
Daarvan zijn ze bang

Slaap’loze nachten,
en baden in ’t zweet
met gruizige slaapkop
en jeuk aan de reet

Kapotte ochtend
en toch maar op weg
Zestien uren pezen
voor brood met beleg

Ijspegels wegkrabben
de motor start toch
Kom maar kom maar
Zestig kilometer nog

Je remt net op tijd!
Ogen verschrikt en zo groot
Twee reetje op straat
Ze springen naar morgen
verdwijnen in de sloot.

Er is zoveel schoonheid:
Tederheid, liefde en al wat mooi kan zijn.
Soms is het zo mooi, dat je de rijm vergeet.
Sneeuwvlokjes, ijsbloemen, nietsvermoedende reetjes.
Als je er maar de tijd voor neemt.  En vooral niet vergeet wat echt belangrijk is:
De vriendin is fantastisch, de gezondheid goed, op een verkoudheid na, maar zelfs die kriebelhoest klinkt     grappig.

 
Al dat geëmmer, gemelk en gedoe,
twijfels tot je vergeet
’t leven is mooi
dat ze roesten aan mijn reet.

Kerststressen, en alle poezen leven nog!

Kerststressen, we zijn er dit jaar gespaard van gebleven. Oef.
Geen ge-ren, geen laatste minuut koopjes, geen aanschuiven in rijen ongeduldige, overgeparfumeerde koopkippen (m/v). Geen warmteschok van -3 buiten naar de +28 graden Celsius in de bomvolle Blokkers, Casa’s en ander Habitatten. Geen Gejengle Bells noch versuikerde Careykloonen die alleen mij willen voor Kerstmis. Nikske van dit alles dit jaar.

De kinderen vierden bij hun papa en we hebben ruzie gezocht met al onze vrienden. Heerlijk. Zo hadden we op kerstavond helemaal niks aan de hand.
We moesten gewoon even binnenwippen in de Colruyt om een paar noodzakelijkheden om het w-e door te komen: kattenzand, WC-papier, deo en omdat we er toch waren: cottage cheese. Dat is van die natte brokken kaas, iets tussen ziekelijke yoghurt en een zeldzaam soort witte rubber. Maar zij eet dat nu eenmaal graag.

Er was omzeggens niemand in de Colruyt. En dat op vrijdag 23 december om half negen. Il faut le faire. Het leven lachte ons toe. 2012 wordt een bom. Het kan nu al niet meer stuk. De cottage cheese vonden we meteen, de deo’s vormden ook niet zo’n probleem. Bij het kattenbakzand verrekte ik mijn oksel. Ja, ik weet ook niet hoe dat kan, maar het gebeurde wel. Zo erg was dat niet, ik gebruik die oksel toch voornamelijk om uit te stinken. En daar was dan die deo voor. Moehaha.

Nu nog het toiletpapier. Koning, keizer, admiraal: Popla kennen ze allemaal. Verder dan adelborst ben ik nooit geraakt en da’s niet genoeg om admiraal noch royaal te zijn, Popla werd het alvast niet. Het is moeilijk kiezen. In het grootwarenhuis hebben ze 53 soorten (ruwe schatting): eenlagig (voor bezoekers met stinkende vingers), tweelagig, drielagig, vierlagig (isolatiepremie zonet afgeschaft), gewatteerd, geparfumeerd (Bea, uw gat riekt naar rozen. Merci Marcel), bedrukt met eurobriefjes, bedrukt met hartjes, in het roze, in het blauw, met luchtkussentjes (zoals in noppenplastiek: kun je noppen ploppen op de pot tijdens de prot), met een touch van schuurpapier (voor de zeebonken onder ons die gewoon zijn hun achterste af te vegen met platte pladijs), makkelijk oplosbare of proppenrollend in je afwateringssysteem, waar je maanden later nog veel plezier uit kan puren met de potontstopper. Of gewoon zielig karakterloos.

Wij kiezen meestal het goedkoopste dat toch nog zacht genoeg is. Het uitverkorene bleek te getuigen van een diepgeworteld HupHollandHup-gevoel. ’t Was oranje.
Zap begon de kar in te laden: pak 1, pak 2, pak 3 tot haar oog viel op de prijzen: Hey, dat oranje bestaat in twee prijzen: ziemaar hier. Ze wijst met haar overigens zeer mooie wijsvinger naar de prijs onder de pakken oranjegevoel. Inderdaad, een prijsverschil van een achttal centen voor hetzelfde WC-papier. Ze kijkt het nog na, en vindt geen verschillen op de pakken. De linkse negen rollen zijn gescheten hetzelfde als de rechtse negen rollen. Ze voelt haar meteen gerold. Daar gaat de Kerstsfeer. Gelukkig is er dan een man nodig om erop te wijzen dat de prijzen uitgedrukt waren in liter. En dat het vermoedelijk ging om de prijs van de blikjes Schweppes in vergelijking met de prijs van de blikjes Cola, die broederlijk naast mekaar stonden onder het toiletpapier. Crisis afgewend.

Een vrolijke meid in blauwe overall komt ons erop wijzen dat de winkeltijd erop zit. Een vrolijke jongeman bedient ons uiterst vriendelijk aan de kassa. Ook als wij met een onmogelijke combinatie komen van maaltijdcheques, Colruytkaart, koperen kleingeld, kleine coupure briefjes en nog eens honderd euro cash willen opnemen bij zijn kassa. Het gaat allemaal zonder problemen met de glimlach. In een opperbeste stemming rijden we de parking af en een poes dood.

Dat van die poes is niet waar maar anders had ik geen prangend einde.

Zeventien jaar terug in de tijd

Ze hadden mij nog zo gewaarschuwd voor het verkeer: Brussel-Leuven, het is niet te doen op dat uur, en zeker niet als je dan ook nog in het hartje van de binnenstad moet zijn. Nu ja, in het hartje, in de “triple twee” als je het op een dartsbord zou prikken. Google maps rekende voor dat het op 26 minuten kon, en dus voorzag ik 26 minuten maal 3. Ik was er dan ook 2 keer 26 minuten te vroeg.

De receptiemadam, een jonge juffer met mopsneus, kon me niet verder helpen, zij wist ook niet in welk lokaal ik les moest geven. Maar de jonge juffer zonder mopsneus (een zwaar accident bij het kettingzaagjongleren) wist dat wel, alleen kwam die pas over 26 minuten. In tussentijd kon ik gerust plaatsnemen in de kantine, en iets drinken. Er waren automaten met allerlei plakkerigs in blikjes, maar er was ook de bar, waar je echt bier en echte wijn kon krijgen. Nou.

Ik daarheen, wat moest ik anders?
De automaten werkten op geldstukken en die lagen in de auto.
De kantine werkte op proton en dat lag in mijn verleden.
Ik wist niet eens dat dat nog bestond. Mijn laatste betaling met proton moet geweest zijn in -ik gok maar even hoor- 1969, bij de aankoop van mijn eerste Opel Kadett, een schone rooie met duitse nummerplaten.

een schone rooie met duitse nummerplaten

Het werd dus met droge keel rondgapen naar mijn medekantinezen, voornamelijk nog-net-niet-mans-jongens van 19, 20, het studentikoze type quoi. Wat niet zo verwonderlijk was, want ik zat in de refter van Hoge School Groep T. De ex-pubers dronken zonder uitzondering Duvel. Ik voelde mijn keel verzanden.
Mmmtepteptep aaaah. Mmmtepteptep aaaah.

Eigenlijk vond ik het wel amusant, hun praat zo’n beetje volgend. Hun stemmen net iets zwaarder dan dat ze van nature zijn, en vrolijk intelligent willen doen. Ik herkende de mezelf van vijftien jaar geleden erin. Alleen dronk ik toen geen Duvel, neuhneuhneuh. Deze jongen dronk toen wijn, jawel. (’t was goedkoper – 79 frank voor een fles Minervois). Het Duvel drinken ging bij hen ook niet zo goed. Althans, de manier waarop ze hun glas vasthielden had toch iets knulligs vond ik. Tegen het eerste jaar master zou dat wel in orde komen. De school is er om te leren.

Toen liep door het beeld een dametje met hoge hakken, een gebreide vier keer te grote trui en een saccoche met veel te lang hengsel. Die moest ik volgen. Want ze had geen neus.
Het lokaal waar ik moest zijn was 11.02. Dat was de draaitrap op, vijf windingen naar boven en daar dan de aula in de hoek. Ik kreeg er ook een sleutel bij, want misschien was de deur wel op slot.

Vijf windingen naar boven en daar dan de aula in de hoek

Ik tjaffelde naar boven, voelde aan de deur en tuimelde de aula binnen. Waar ik meteen de blikken op mij kreeg van vijftig studenten en een prof wiskunde. Zo een echte, met een door merg en been snijdende stem en een grijsbruinblond page kapsel, een vrouw. Toen het licht even veranderde zag ik dat het eerder blondbruingrijs was. Ik noteerde het, je weet nooit dat ik hier nog een blogstukje over schrijf. Ik vroeg of ik nog een halfuurtje mee mocht volgen -dat mocht- en ik toetste of ik nog kon volgen. Matrixen en vectoren, determinanten en afgeleiden, daar was ik vroeger goed in!
Geen fluit wist ik er nog van. De school is er om te leren, maar trop is teveel. Een mens zou er verduveld dorst van krijgen. Maar ja, dat ging dan weer niet.

Wat me ook meteen opviel: ze schreven daar nog met krijt, zoals in de jaren tachtig! Cool! Echt krijt. In kleurtjes! Meteen besloot ik mijn slides overboord te gooien en alles op het bord te tekenen. Joepie. Krijt. (Jahoor, ik ben een groot klein kind, en dan?). Zesentwintig minuten later had ik hoofdpijn en was de wiskundeles voorbij. Haar publiek stroomde naar buiten, en mijn publiek slenterde naar binnen. Ik haastte me naar de krijtjes. Meteen had ik een veeg op mijn trui, maar ik veegde daar lekker mijn trui aan. Of zoiets.

Was ik me daar op dreef zeg!

Ik heette de studenten welkom, stelde mezelf voor, veegde het bord af, en het opstuivend stof bezorgde me meteen een kriebelkramphoest.
Kan ik je wat water aanbieden? vroeg er eentje op de eerste rij. Een Duvel liever, krochelde ik. Maar dat verwaaide in een hoestbui en niemand verstond het.

En zo ben ik toch aan water geraakt, zonder proton noch geldbuidel.
De school is er om te leren.

Toen liedjes nog moesten rijmen

En dansers niet synchroon moesten dansen.
Heerlijk heerlijk: Nino Ferrer met Le Téléfon

Gaston,

il y a l’téléfon qui son
et il y a jamais person
qui y répond

Non (x 23).

De Duitse maffia, niets menselijks is hen vreemd

Traag, als kruip-olie, gleed de limousine voorbij, de lichten gedimd. Dat was niet zo abnormaal. Het was namiddag en de zon scheen.
Ik gleed ook voorbij, als een slak met teveel tijd, het raampje open. Dat was niet zo abnormaal. Het was gisteren uiensoep.

We reden stapvoets op de ring, zeer traag, wieltje voor wieltje, file in file uit, de limousine links, ik daar rechtsachter. Ik sloop naderbij.  De stretch had Duitse nummerplaten. Hoe kon dat nu?

Ik won terrein, ik kwam erlangs. Ik kon niet binnenkijken achterin, de ruiten waren donkergetint. Ik schoof op, onvermoed, tot onze spiegels elkaar bijna raakten. Ik keek opzij.
Achter het stuur zat een dikke Duitser in uniform, volledig in zichzelf gekeerd, vol concentratie, een snottepiet uit zijn neus halend om die met duim en wijsvinger weg te schieten.
De Duitse maffia, niets menselijks is hen vreemd.