Maandelijks archief: november 2011

Alle goede dingen komen in drie: Ikea, Boomsesteenweg, parkeerplaats

Het alarm ging af. Mijn adrenalinepeil steeg. Ik kreeg klamme handen, de hartslag versnelde. Rood waas voor de ogen. Zij, zij merkte niks, ze ging gewoon door op haar elan. ‘Het is ook al zo lang geleden. Laten we vandaag nog gaan’. Haar eerste zin was, en de directe aanleiding van mijn infarct: ‘Ik wil nog eens naar Ikea. Zomaar.’

Het addertje zit hier in de ‘zomaar’. Mijn eega wil nooit ‘zomaar’ naar Ikea. Nooit, never, jamais. Soms wil ze naar Ikea voor een nieuw kastje of voor een staande lamp. Die dan altijd omvalt, bijvoorbeeld. Als ze naar Ikea gaat, ‘zomaar’ dan is dat vrouws voor “Ik wil iets wat jij niet wil dat ik heb”. Dus zegt ze ‘zomaar’ en dan ben ik de pineut. Want in Ikea zet ze dan haar puppy-ogen op en dan krijgt ze toch weer gedaan wat ze wil. De trut. Nu, dit verhaaltje speelde zich af een paar dagen voor haar operatie, dus ik dacht nog, ach, misschien overleeft ze het wel niet, dan is ze toch met een zweedse glimlach gestorven. Kan ik haar asse bewaren in de Bursjön of in de Fläta. Het nuttige aan het aangename paren.

Dus wijlen weg. Richting file op de A12.
O, gij Boomsesteenweg, bloedbaan van de hel
comalijer, kankerspuier, piercing zonder vel

O, gij Boomsesteenweg, monsterlijke draak
Ik kom hier praktisch nooit en toch is het te vaak. 

Ikea aan de A12. Je ziet het blauwe logo van kilometers ver afsteken tegen de gele hemel, zwanger van de ozon, het fijnstof, de solfer en stikstofdioxides. Stikstof, zelden een meer toepasselijke benaming geweten. 
Dat logo hangt dus leuk te contrasteren met de wereld, je ziet het wel, maar je geraakt er niet.
De weg is zo gedesigned dat je er alleen maar geraakt mits verlies van bumper, spatbord of wieldop. Gelukkig kennen wij (lees Zap) een sluipwegeltje ergens langsachter waar je toch zonder al te veel kleerscheuren stiekempjes op de parking geraakt.

Alleen was de parking er niet meer. Of liever hij was er nog wel, maar verborgen onder een gebinte van iets metaalachtigs grijs. Ikea had besloten zijn parking tijdelijk te overdekken waardoor er 47000 parkeerplaatsen minder beschikbaar waren. Ik reed de parking op en had geluk. Al na drie uur kwam er een plaatsje vrij. Dat meteen werd ingepikt door een tweezitter. En toen waren er nog elf wachtenden voor mij. Ik parkeerde mijn sjees bovenop de tweezitter en wankelde met stijve benen aan het handje van supervrolijke zap naar de winkel harer dromen.
Het enige wat ze wou doen was effe rondkijken en 2 namaakbloemen kopen. 2, ochottekes ochere. Ter waarde van 79 cent, inclusief Btw.

In bijlage de rekening, budget overrun van 4168%.

En dan waren we de Fläta nog vergeten ook.

Advertenties

De jeugd van vandaag is de Eddy Wally van dertig jaar geleden

De jeugd van vandaag is de Eddy Wally van dertig jaar geleden. Statement. Hoppakee.

Ik las het in Humo. Eddy the voice of Europe, maar ook van China en ver daarbuiten, is hersteld van een hersenbloeding. Kwatongen onder jullie verzinnen hierbij jullie eigen flauwe grap.
Maar Eddy, ge moogt dien mens niet onderschatten. Hij is in Amewika geweest!
Waaw, ammaaazing. On-geloof-lijk. Plezant. Everything is wonderful. 

Eddy is altijd al visionair een gebleken. Jaren, wat zeg ik, decennia zijn tijd vooruit! Met klassiekers als Chéry, Ik sprong uit een vliegmachien, Onder je balustrade is hij al vierentachtig jaar de ongekroonde koning van het levenslied. Eddy Wally, de marktkramer met de gouden stemband.
Weinigen weten dit, maar Eddy is ook de uitvinder van de groenrecyclage. Tegenover zijn Dancing in Ertvelde stond een bloemenwinkel waar zijn fans bloemen kochten voor hun idool. En terecht. Zo’n man verdient dat!
En de volgende morgen bracht Eduard de bloemen terug naar de winkel, incasseerde zijn percentje en kreeg de volgende dag weer dezelfde boeketten van weer andere fans. Respect! Warren Buffet kan er een puntje aan zuigen.

Er wordt ook al eens meewarig geglimlacht over Eddy, maar hij glimlacht vrolijk terug. Want hij weet dat hij zoveel meer is dan een zanger: hij is een fenomeen, hij is geweldig, hij is amazing.
Eddy is ook een gevierd acteur en humorist. Wie herinnert zich zijn hoofdrol niet meer in het avant-gardistische Lava? Of als quizmaster in de Slimste Mens (waterboarding for you and for me!) Ongelooflijk.

Of nog, Eddy als het talenwonder. Eddy spreekt en zingt in het Engels, Amewikaans, Sinees and Russisch. Amazing, ongelooflijk. Waaw. En als je goed luistert, spreekt hij soms zelfs Flaamsch. Geweldig. Den Eddy zet de bakens voor de jeugd: Amazing, ongelooflijk, plezant. Everything is wonderful.

Voor de jongste generatie is Eddy: waaw. Eddy is hun grote voorbeeld. De jeugd van vandaag is de Eddy Wally van dertig jaar geleden. De nieuwe garde songfestivalpineuten is er helemaal klaar voor!
Amazing, zo plezant, ongelooflijk, geweldig.
Waaw.

Laat de stress maar vloeien: het minuutje tussen 0:15 en 1:15: waw!
De rest is poppetje kijken.

De zweetoksel van het jaar

Novembersomberte, nog donker om 8 uur ’s ochtends, al duisterend tegen half vijf.
De plaknevel hangt laag en zwaar over het natte gras. Koude kruipt in de kleren, bijt zich vast in handen, voeten en neus, je krijgt het er niet meer uit zonder heet bad.
November, de zweetoksel van het jaar. November, de asresten van een uitgeregend kampvuur. November, quelle tristesse.

Maar aan dat doemdenken doen wij niet mee. Ha!


Neveneffecten die ze wijselijk verborgen hielden

Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè.
Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè – moehoeaiaiaiai.
Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè.

Geen aangenaam geluid. Zeker niet als de volumeknop op elf staat.

Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè.
Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè – moehoeaiaiaiai.
Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè.

Een getormenteerde geit met de hik. Zoiets.

Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè.
Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè – moehoeaiaiaiai.
Ghèghèghèghèghèhihihihihi. Mèhèhèhèhihihihighèghè.

Dan was de moehahahohohohoho van vroeger toch nog net iets aangenamer.
Maar dat kan ze niet meer, want het doet nog teveel pijn als ze zo lacht.
En dus lacht ze nu als een blatend schaap op yabaa.

Dat zeggen de dokters er niet bij als je voor een maagverkleining gaat, de snoodaards.
Dat het allemaal maar snel geneest ; ik ben bijna door mijn voorraadje Bambi en Ken Loach filmpjes heen.
En met een vinger in haar zere buik priemen gaat op den duur ook vervelen.
Dat het allemaal maar snel geneest.

Verdoofd op scheurend ijs

Ze was net dertig, heel knap, heel vriendelijk en dokter. Mmrrmmggrr.
(Ze is nog steeds dertig, heel knap, heel vriendelijk en dokter, want ik zag haar verleden week nog.)
Ze lachte met pretogen, klein beetje eyeliner, net genoeg om het te merken, niet genoeg om het te zien. Haar sproeten dansen de samba. Sproeten in november!
Ze leidt ons in bekoring en in de kamer. Dit hier is mijn assistente, zij volgt nu stage, zegt ze en ze wijst op een soortgelijk prachtexemplaar van de vrouwelijke kunne. Lang donkerbruin haar en een Rachel Frederickx bril. Haar stond het.
Gelukkig heeft die een vreselijke stem, als van een wekker die verkeerdelijk afloopt om 4u14. Gelukkig, want hormonaal gezien kan ik er zo maar eentje aan. En dan nog.Wij beantwoorden haar vragen, of liever zapnimf beantwoordt haar vragen en ik kijk hoe de dokter met haar ongelakte bijna ronde vingernageltjes op het klavier rikketikt.
Dan kijkt ze naar mij met iets van een glimlach en ik heb plots een beetje zuurstof te kort.
Ze is anesthesiste. Veel moeite moet ze niet doen om te verdoven.

– ‘Dat was wel een knappe, niet?’, zei Zapnimf toen we terug buitenstonden.
– ‘Nogal ja’, bromde ik een beetje. Altijd gevaarlijk als ze zo’n vraag stelt. Vooral neutraal blijven. Niet tegenspreken, niet te enthousiast beamen, maar vooral neutraal blijven.
– ‘Die blonde toch, die andere was maar niks’, lieg ik.
– ‘Ja, en vriendelijk ook, en grappig.’
Een kleine ja, van mijn kant. Waar stuurt ze in godsnaam op af? Wat is ze van plan? Wil ze me uit mijn tent lokken, en zo ja, waar naartoe? Het voelt als scheurend ijs onder blote voeten. Alles roept Wegwezen hier!, maar het moet behoedzaam.
– ‘D’er zijn hier veel knappe dokters in dit ziekenhuis.’
-‘Ja?’ (ik een beetje schaapachtig).
– ‘Die chirurg daar, je weet wel, die met dat zwarte haar was ook zo’n knappe vent, en die van daarstraks die net na die knappe anesthesiste binnenkwam. Mmmmm.’

Het ijs blijkt dikker dan ik dacht.
Oef.

Zo doe je dat!

De wijze, ervaren moeder neemt het over en toont voor hoe het wel moet.
Driewerf helaas.


 

 

Niet veel soeps

Oudste zapdochter, die in twijfel hangt tussen puber en jongvolwassene:

– Zeg dat eten is hier niet veel soeps hoor, couscous, bah, dat een mens daarmee zijn maag kan vullen. Is er niks anders?

Wij, kennen haar ook al een jaar of achttien, houden de boot af.
o Neen, het is eten wat de pot schaft.
– Ik eet dat niet. Ik ben wijd achttien, ik moet dat niet eten.
o Ok, da-ag.

Niet zo lang daarna.

– Ik heb honger.

o M-mm.
– Mag ik soep maken, lekkere tomatensoep?
o Ja, probeer maar, veel succes.
– Zeg, ik ben wel wijd achttien hé.
o Ja hoor.
– Mamma, in welke pot moet ik dat doen?
o In die grote.
– Waar staat die?
o Onderste schuif.
– Hoe moet de dampkap op?
o Trekken.
– Ok.
– Zeg dat is hier alleen maar het lichtje van de dampkap…
o Knopje rechts.
– A ja.
– Hoeveel uien moeten daarin? Hoe snij je een uit? Zo, tiens da’s vreemd. Maar ja, ik heb ook nooit snijtechnieken gekregen op school…
– Oe, dat is glad zo’n ui, en stinken. Moet dat zo stinken een ui?
– Mmmm, en nu lekkere tomaten. Waar staan de tomaten?
o Zijn er niet, zitten in de saus bij de couscous.
– Komaan, zijn er dan geen tomaten?
o Waarom staat eigenlijk je dampkap op, je bent nog niet begonnen met koken?
– A, ja, ik weet niet, ok.
– Zijn er geen tomaten?
o Alleen nog in blik vanachter.
– Waar staan die blikken?
o Vanachter…
– A ja. Hoe doe je zo’n blik open? Zeg, dat gaat niet. Hoe moet je dat doen? Dat gaat gewoon niet. Stom blik.

R R R

o Zo.
– Hmmm, merci. Heej, dat is geen tomatenmoes maar zijn echte tomaten. Hoe moet ik dat nu doen? Mixen? Zeg dat snoer van die mixer is te kort. Wat moet ik nu?
Pruttel pruttel.
– Mmmm, soep. Zeg, die soep is zo flauw.
– Die soep is nog steeds flauw.
– Die soep blijft flauw.
– Man, wat is die soep flauw.
– Oesje, eikes, zo zout nu!
– Ik zal er een geroosterde boterham bij eten. Waar staat de broodrooster? Is er nog brood? Alleen van dat zelfgebakken brood? Hoe moet je dat snijden? Waar ligt dat groot mes dan? Hej, mijn boterham is te dik, ik krijg hem er niet tussen…
o Vergeet je de broodrooster niet op te ruimen?
– Zeg wat denk je wel, ik ben wijd achttien!

 

Thuiswerk – het heeft zo zijn charmes

(Rechtzetting op dit hier)
– Kunnen we vrijdag bij jullie op kantoor vergaderen, dan moet ik niet helemaal naar Brussel rijden? 
– Ja, dat kan, ik maak wel ergens een plekje vrij, dan winnen we toch dertig kilometer of zo.
Of beter nog… waarom kom je niet gewoon bij mij thuis langs, dat scheelt je algauw een slok op de borrel van 3 uur, ik ook een uur of drie en Jan woont hier eigenlijk ook in de buurt, da’s voor hem ook twee uur winst. Samen acht uur winst, we hebben al een dag gewonnen op het project en we zijn nog niet begonnen! Goed zo!

En zo zat ik vrijdag op mijn sokken met mijn twee opperhoofden tesamen rond de livingtafel. De koffie geurde zoals alleen koffie dat kan, en voor de kleine honger dampte een stapel koffiekoeken tussen ons midden. (Ik vond het ook eerst vreemd dat ze dampten maar lekker waren ze wel.)
Het werk schoot lekker op, zelfs toen Poes een drietal keer aandacht nodig had en om de beurt op ieders laptop ging zitten. Alles liep gesmeerd. En toen had Zapnimf aandacht nodig.

Eerst schuifelde ze onopvallend door het beeld, en deed iets heel vaags met haar handen. Het resultaat bleef uit. Daarna begon ze heel, maar dan ook heel heel hard te tokkelen op de PC even verder in de woonkamer. Tikketikketikke TIKTIKTIK. TIKKETIKKETIK.
Tot het getik werd onderbroken door de vlakbij inslaande donder. Bwoehahahahahaha. De dakpannen denderden, plavuizen dreunden, het parket krulde van komiekigheid. Bwoehahahahaha, die Margo toch! Hahahaha. De orkaan bleek een glimlachend zapnimfje te zijn.
Ik vond mijn collega’s terug onder de tafel en achter het gordijn. Ik kon ze opnieuw aan tafel lokken met een koffiekoek.

Een klein succesje voor de eega, maar het kon beter. Ze drentelde langzaam onze richting uit, en ging heel wulps rond mijn nek hangen (ik was al blij dat het rond mijn nek was).
Schiet alles goed op? Mmmm, deed ik, want wat moet je anders als iemand je oor aan het tongen is.
Goed, schatteke, maar laat ons nu even verder werken wil je, het is bijna pauze voor ons. Met een pruillip ging ze van tafel, en trok nog vlug eens stiekem aan mijn flieter. Ik hoorde allebei de cheffen in een kuchhoest schieten.

Het werd middag, we aten zelfgebakken brood met boterhammen van wel zeker drie centimeter dik (we hebben nog niet geleerd precies te snijden). Het was lekker.
We zaten op het terras, een verdwaasde eekhoorn viel uit een boom. Nog een uurtje of drie doorwerken en dan kon de Nederlandse poot van het team naar zijn vogende vergadering in Utrecht.
Zap moest nog eerst een beetje indruk op hem maken. Kijk, mijn boekenkast.
Veel Nederlandse literatuur ook, vond de Hollander. Ja hoor, wij lezen graag. Toen bedacht ik dat ik nog steeds een viertal boeken moet uitlezen over saaie werkaangelegenheden.
Die liggen op mijn nachtkastje
, beweerde ik. Dat was niet eens gelogen, daar liggen ze echt. En die lees ik dan voor ik in slaap sukkel. BOEHAHAHAHA. Lap, daar ging ze weer. Nietwaar, hij is momenteel aan het lezen in een Jommeke, al drie dagen, De Stad in de Vulkaan, boehahaha.
Waar haalt ze het? Dat is pertinent onwaar. Ik ben al drie dagen bezig in De Valse Kemel, en dat is een keimoeilijk boek. Van Jommeke.
Daarna ging ze nog even vertellen dat ik mijn bedrijfsschroothoop nooit was, dat ik thuis geen acht uur moet werken thuis, want ik ben thuis efficiënter. Ik hoorde de baas slikken.

Wanneer kom je de volgende keer nog langs op kantoor, vroeg hij?
Alleen nog als hij zijn maaltijdcheques komt ophalen, wahahahahaha, floepte ze ertussen.

Toen kwamen ons twee jongsten thuis, al ginnegappend en gabberend. MAMA, WIE ZIJN DIE TWEE BIJ MOOSE DAAR? Zijn bazen. WOOW, SEUT, ECHT?!!!!

Toen ging de telefoon, den bompa zou langskomen, om samen met mij de deurknop te herstellen, hij werkt toch thuis vandaag, niet?

Mijn directeur kon zich niet snel genoeg uit de voeten maken. Gij woont hier schoon, zei hij, en met gierende banden glibberde hij de oprit af.
Heeft iemand nog een jobke voor iets projectleidersachtig liggen. Graag in het buitenland, met inslapen.

Jeuj, ze hebben gereageerd

ik had het kunnen weten...