Chinees op sterk water

Hij zat er weer. Of liever, hij zat er nog. Dertien en een half jaar geleden, zoiets ongeveer, was ik er voor het laatst. Hij was het die me toen een prettige reis toeknikte.

Hij was helemaal uit mijn memorie gewist, tot ik hem nu, veertien jaar later, opnieuw ontmoette: mijn chinees. Op dezelfde plaats, met hetzelfde hemd aan, diezelfde hondenogen, diezelfde minzame hoofdknik. Alleen door zijn haar zitten nu grijze strepen, terwijl het vroeger onvoorstelbaar zwart was.

Ik moest een klant bezoeken in Brussel vlakbij de Wetstraat. Omdat de trip ‘werk-klant en terug’ ondoenbaar is met de trein, moest ik nog eens door Brussel laveren met mijn versleten slagschip, oliespuwend en benzinebrakend, alle noeste fietsers onderweg vergiftigend.

parking loi

foto gepikt van Tom Cuppens

Dat vind ik niet eens zo erg, toch niet als het echt hartje Brussel is: Wetstraat, Pachecolaan, de tunnels van de Botanique, hoe lelijker hoe liever ik het daar heb. De eerste jaren van mijn -ahum- carrière heb ik er gewerkt. Heimwee om lelijkheid, ik had het vroeger al. Maar nu dus niet.

Ik hoest mezelf de Brusselse tunnels door, en rijd daarna de ondergrondse parkeerslang binnen op het einde van de Wetstraat. Normale mensen moeten er parkeren op verdieping min 3. Na een kwartiertje twijfelen kies ik dan ook maar voor de min 3. Het werd nog een hele toer om mijn Toyota tussen twee Mercewees te prakken. Maar het lukte.

De vergadering begint en eindigt en na anderhalf uur gezwam kan ik naar huis.

In de parkeergarage ga ik vruchteloos op zoek naar een parkeerticketfrankeermachineofhoemogendiedingenookheten. Ze staat niet op 0, niet op -1, de -2e verdieping ontbreekt precies, en op -3 staat ze ook niet.

Een vriendelijk maatpak weet me te zeggen dat hier alles nog manueel gebeurt. Je rijdt naar buiten, en als je het licht ziet, staat er een hokje, een beetje vergelijkbaar met de payage in Frankrijk. Daar zit dan een paysan die je precies weet te zeggen hoeveel je beurt kostte.

Je gooit je kaartje en je geld in een tweezijdige schuifla, hij vervangt dit door wisselgeld en een recuutje en de slagboom gaat omhoog. Terug vrij!
En in dat hokje zit hij dus nog steeds, mijn chinees, in dat donker hol vol dieseldampen en hard TL-licht.
Onaangetast, na veertien jaar nog steeds diezelfde hondenogen en diezelfde minzame hoofdknik.
Alleen door zijn haar zitten nu grijze strepen.
Door dat van mij ook.

Ik voel een droeve snik opwellen.

Advertenties

Geplaatst op 18 augustus 2011, in Vriesvonk. Markeer de permalink als favoriet. 4 reacties.

  1. Pasop, die lijken allemaal op elkaar. Het was misschien toch zijn broer.

  2. @HdZ Toch toch, chinezen zijn een beetje zoals garnalen. Ze lijken allemaal op elkaar, maar dit is slechts zo voor de toevallige passant. Als je nauwer let, hebben ze elk hun karakteristieke koppen.
    Zo heb je garnalen die er echt niet uitzien, anderen kijken je dan weer heel zenzueel aan vanonder hun lange wimpers.

  3. allé, toch ene werkloze minder!

  4. Diene Zinees zal doodgaan aan zwarte longen…en ’t zal niet van ’t roken zijn.
    Zat hij daar nog met zijn volle goesting denkte?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: