Maandelijks archief: augustus 2011

Over mijn duizelingwekkend EQ

Paul is terug van verlof. Onze verloven sloten op elkaar aan en daardoor hadden we elkaar al     meer dan vijf weken niet meer gezien.

Dus dan doe je vlug rondje vraag en antwoord (wij zijn mannen, bijpraten kan op driekwart         minuut, dat komt door onze duizelingwekkend hoge Emotionele Intelligentie).

– En?
Hij-niet weg geweest. Ik-niet weg geweest.
Hij-regenregen, maar toch beter dan hier, haha. Ik-van-‘t-zelfde, hahaha.

– En? Hoe is het hier nog geweest tijdens mijn verlof? vraagt hij.
– O, alles onder controle. Puntje a dat jij zou doen, heb ik zelf gedaan, viel eigenlijk best mee. Puntje b, wel dat heeft die Roemeen gedaan, via Skype ging dat heel vlotjes. Puntje c dat jij zou doen heeft die Roemeen ook zonder problemen overgenomen, en dat vierde dingetje is ook onderzocht, verwerkt, opgestuurd en zelfs al verkocht. Fluitje van een cent.
Alles onder controle dus, geen enkel probleem, alles draait als een lier.

In mijn enthousiasme over de goede gang van zaken, merk ik niet dat hij tranen in de ogen krijgt.
Net voor zijn verlof is Paul ontslagen. Nu moet hij nog een drietal maanden opzeg uitdoen.
Het laatste wat hij wou horen was wel dat alles ook zonder hem gesmeerd liep.
Ik voel mijn EQ duizelingwekkend dalen tot tegen mijn schoenzolen.

Dertig jaar Didier in de pissijn

Iedere jongen die door zijn lager onderwijs gesukkeld is, herkent onderstaand zinnetje zeker.

– Meester, meester, den Didier heeft mijn boterhammen in de pissijn gesmeten!

Met pissijn wordt hier dan niet het zwembad bedoeld, maar wel het wit hangtoiletje voor de kleine boodschap. Zo’n soort toiletje dat je na je lagere school nooit meer teruggezien hebt, tot je 16 werd en je met je zatte botten op café je behoefte in zo’n mini-pissijntje deed -wat hangt dat spel hier laag- en je daarna merkte dat je in de lavabo aan het zeiken was. Zo’n pissijntje dus.
Maar we wijken af.
Didier

Lijpig koppie

Didier

en geniepige varkensoogjes

                                                                                                                                                                                                                                                                                                Den Didier dus. Altijd den Didier, iedere Didier heeft een kop alsof hij vroeger boterhammen in de pissijn gooide. Ga maar na in je kennissenkring: een wat lijpig koppie met geniepige varkensoogjes. Je zult je geen Didier meer kunnen voorstellen zonder een verschraald pisluchtje eromheen. Is niet erg. Moesten ze maar geen Didier geworden zijn.

– Meester, meester, Didier heeft mijn boterhammen in de pissijn gesmeten!
– Dat is niet waar meester, dat heeft hij zelf gedaan!

En zo ging het verder. Heelder generaties jongens zijn opgegroeid met dit jeugdtrauma.
Bij mij is het zeventwintig jaar geleden en toch sprong die scène me daarstraks op het werk weer voor de geest.

De aanleiding was volgend tafereeltje. Ook een bekende bij de meeste mannen.
Je hebt een belangrijke vergadering. Of toch minstens een vergadering waarvan de baas vindt dat ze belangrijk is. Je moet dringend plassen, maar omdat ze ‘hooguit’ een kwartiertje gaat duren, kan het nog net. Stom. Natuurlijk loopt ze uit (pun not intended).
Als na veertig minuten het overleg eindelijk afgelopen is, spurt je o-benend naar het toilet. Voor de pissijn frutsel en frutsel je aan je broek die natuurlijk net die ene coole jeans is zonder rits maar met knopen. Het dreigt te druppelen, grrrr, om het vooruit te laten gaan heb je je twee handen nodig, je klemt je analyse document en je rood pennetje tussen je tanden, ja open!, en laat uit-ein-de-lijk het vloeibare goud lopen.
Zeer bekend gegeven. Stukken beter dan sex. Alle mannen kennen dit, maar toegeven ho maar.

Nog steeds in halve extase, zie je een collega achter je ook het toilet binnenlopen.
– Ha zie, de Moose. 
– Yow Didier! 

Het pennetje in je muil verschuift, je probeert het nog tegen te houden met je tong, wat ook lukt. Helaas daardoor verlies je de klemkracht van je lippen en je ziet je analyse tergend traag neerdwarrelen in de pissijn. Geen handen om ze tegen te houden, geen mogelijkheid om je straal te stoppen. De rode inkt vermengt zich als de betere aquarel met het water.

Laat dat laatste aub voor andere mannen ook een bekend tafereeltje zijn. Toe?

Trooster in tijden van nood – Mijn vriend de glasbak

Een doffe zondagochtend. Je wordt wakker van je eigen stinkende adem. Of was het van de gruizige pijn in je kop? Je moet nadenken waar je bent. Het antwoord is even voordehandliggend als verontrustend: in je eigen bed. Niks is erger dan wakker worden van je eigen stinkende adem. Tenzij misschien van de stinkende adem van iemand anders. En die is er ook. Bah. De zondagochtenden na een feestje, met hun geur van verschraalde sigaretten en craquele hersenschors.

Dat was vroeger zo en het is nog altijd zo. Alleen roken we niet meer en drinken we niet meer. En het feestje was een middagbrunch met allemaal jolige juffen en malle meesters. Vooral juffen dan. Tegen zeven uur ’s avonds was de laatste naar huis. We zijn het feesten verleerd.

Met de moed der wanhoop sleep ik mij naar beneden. Een verkwikkend ontbijt is geen optie. Terwijl vroeger tripples, whisky en wijn voor de ontregelde maag zorgden, dan zijn dat nu hectoliters macaberzwarte teerkoffie. Terwijl dat vroeger grauwe pita’s en verlepte frieten waren, zijn dat nu suikerbommen: negen koffiekoeken, industriële hoeveelheden slagroomtaart, rabarberkeek, of pistolets met goei boter en oude franse kaas. De maag is er even erg door van streek. Een ontbijtje hoeft nu even niet.
mijne trouwe compagnon de route

Broken Glass Hero

De meeste rommel is gisteren al opgeruimd door het veel te opgeruimde lerarenkorps. (Gelukkig ken ik een trukje om te vrolijke leraren te dempen. Gewoon “Pascal Smet” zeggen en je boort meteen een niet te spuien geiser van schamperijen aan, ha!).

Ik besluit de dag te beginnen met een tripje naar de glasbak, die staat bij ons om de hoek. Het is een goede ochtendwandeling. Frisse neus halen. Met twee boemvolle bakken glas op de bolderkar naar het groene buikige gevaarte. De vogeltjes fluiten, die in mijn hoofd luider dan die daar buiten, maar toch, het zijn al weer vogeltjes en geen Stihl-kantmaaiers meer.

Het weerzien met mijn goede oude vriend heeft iets hartelijks: Iese, daose, daar is ‘em sie, mijne maat de glasbak. Ik hou van glasbakken. Altijd al gehad. Ze hebben iets troostvols over zich heen, dat gezellig groene bolle.
Alles eraan straalt degelijke rust uit. Een glasbak heeft iets van een knipoog van een gezellige nonkel. Het speleffect doet er ook aan mee: de juiste kleur fles in het juiste gaatje. Vertier voor de simpele mens. Ik ben een simpele mens. Het is ook altijd spannend om te horen of de bak goed  vol is en juist heel erg hollerig leeg.Ik begin met de Cava-flessen, o ja, da’s waar, Nele heeft gisteren getrakteerd, het was haar verjaardag. Er zijn ook nog wat champagneflessen, dat was inderdaad ook lekkere. Er liggen ook nog wat gin-flessen en Blue Curaçao-glazen tussen, daar kan een nijdig cocktailtje van gemaakt worden. De volgende is een whisky-fles, voor bij de koffie. En dan nog een voor na de koffie. Dan nog een zestal wijnflessen, voor toen het nog gezellig werd na de koffie. Er zijn zelfs twee Westmalle flesjes tussengesukkeld van tijdens het opruimen. Die gaan terug mee voor het statie-geld.

Het gaat al weer een beetje beter met mij.
Feestjes op koffie, ze zijn niet te onderschatten.

Woensdagavond – Conditions are perfect

Oeioeioei, het gaat niet goed met dit blog.
Woensdag een onnozel filmpje, donderdag nikske en vandaag weer niet veel soeps.

Zo’n Zaphuishouden het put een mens uit.
Nu had ik donderdag wel een goede reden om vermoeid te zijn. Dat komt door woensdagavond.
Want woensdagavond, wel dan is het business time!

Filosofie gefileerd

“To Do is to Be”    (Nietzsche)
“To Be is to Do”    (Sartre)
“Do Be Do Be Do” (Sinatra)

Papa Twee

Vanavond stalen wij een uurtje tijd, en maakten een avondwandeling door het bos. Wij dat zijn: Zapmama, bijslaap Moose en MiniZap, die ondertussen al een uit de kluiten gewassen dochter is van 12.

NetnietvolwassenZap, MachoZap en KrulZap wouden niet mee, die waren respectievelijk:
– Ambras aan het maken met het lief want “Gij weet zeker niet wat dat is, twee weken mekaar alle dagen zien en nu nog”, na haar eerste reis tesamen,
– Aan het rondhangen met een vriend en zo-o-zo cool te doen dat zijn beugel er haast van bevroor,
– Haar virtuele sociale netwerk te onderhouden en zichzelf een tendinitis-duim te short messagen.

Wij wandelden een tijdje hand in hand, zochten en vonden een kaboutertroon, zagen een elfenboom, hoorden een dof gekraak dat nergens vandaan leek te komen en er waren dwaallichten (sluip voorzichtig om ze niet te storen, Krak, sssssst, let toch op!).

Zuig hier maar een puntje aan, Monet

Wil je stilstaan, bloemen, als ik je fotografeer

 

Toen begon het te regenen, het werd ook goed donker en we haastten ons langzaam naar de auto. In de beukendreef wou MiniZap tussen ons komen inlopen en ons beiden een handje geven.
– Komaan, zeurde ze: ik wil in het midden, een handje geven aan mama en papa.

Ik schrok. Zoiets zegt ze nooit.
Ik testte haar: – Ja maar papa is er niet.
– Dan wil ik een handje geven aan mama en… papa twee.

Jaaa! Na vijf jaar eindelijk bevorderd van stiefpapa naar papa twee. Vooral nu van genieten, dacht ik, geniet er nu van. Over 6 maanden of zo pubert zij ook, en dan word ik weer aangetierd met:
– Gij hebt hier niets te zeggen gij, gij zijt mijn vader niet, seut!

Dan ga ik aan dit moment terugdenken, en dan weet ik: Nu weet je het even niet meer, maar eigenlijk zie je me wel graag.

Kijk nu, en zie iets anders

Ik heb een boek gelezen. En nu ben ik ziek. Tsja. Zo gaat dat met mij.
Het was een boekje over psychologie, door Oliver Sacks. Dat is de kerel die het boek schreef dat gebruikt werd als mal voor Awakenings. Robin Williams speelt er de rol van Dr. Sacks.
Sacks is een hersendokter: professor neurologie en professor psychiatrie in één. Hij heeft ook een baard en een onnozel rond brilletje. Maar de man is een geboren verteller. Ik heb zeer veel genoten van “De man die zijn vrouw voor een hoed hield (1985)”.

En dus had ik verleden week zijn laatste boek meegebracht uit de bibliotheek. Het innerlijk oog, heet het en het gaat over allerlei aandoeningen en stoornissen die je kunt hebben bij het verwerken van visuele informatie. Het is niet zijn beste boek, maar dan nog bleef het meer dan interessant om het door te nemen. Eigenlijk wou ik iets helemaal anders meedoen (de geschiedenis van China vanaf 1963), maar dat was er niet.

Sacks - The who mistook his wife for a hat (1985)

Sacks - Het innerlijke oog (2010)

Het eerste hoofdstukje ging over mensen die geen gezichten kunnen onthouden. Dat kan ik redelijk goed, maar niet als ik moe ben, dan kan ik met moeite brunettes uit blondines houden. Vooral niet als ik voor pampus voor de TV lig. Maar ik voelde me niet echt aangesproken. Alleen Zapnimf denkt daar anders over.
Een uitbreiding daarvan zijn personen die geen geografische data kunnen onthouden. Ze vinden nooit de weg terug, kunnen zich niet oriënteren, en herkennen straten of wijken niet nadat ze er al maanden of jaren dagelijks doorheen fietsen.
Dat heb ik! Het komt mij al wel eens voor dat ik niet meer weet waar ik ben, terwijl ik gewoon op de autostrade rijd naar het werk. Of dat ik plots niet meer weet waar mijn huis staat.
Dat is niet erg, een mens went daaraan. En vroeg of laat komt alles toch weer terug en vind ik de weg wel. Het klinkt vreselijk voor een ander, maar zelf til ik daar niet zo zwaar aan. Ook Zapnimf leerde er mee leven. (Soms een beetje.)

Het volgende hoofdstuk dan, het lijkt hier verdorie op hetgeen ik vroeger zo haatte – een boekbespreking, oech-, daar snapte ik geen jota van. Of liever, ik begreep niet echt waar Dr. Oliver het over had. Het ging over dieptezicht, en over bomen waarvan je de blaadjes in de diepte zag, verschillende lagen over elkaar. Het ging over de lichtarmatuur die dichter lijkt dan het plafond, het ging over stereobeelden.
Ik kon me er niks bij voorstellen. Ja, tijdens een 3D-film wel, maar in het echt is dat toch niet zo. Euh… blijkbaar toch wel.

Een mens moet dus 36 geworden te zijn om te beseffen dat hij geen dieptezicht heeft. Zeer vreemd allemaal.
Ik heb een aantal oefeningen gedaan, en op korte afstand heb ik het wel, als ik me keihard concentreer lukt het halfweg ook nog, maar verder dan een meter of drie wordt alles voor mij een plat vlak.
En ik die dacht dat dat normaal was.

Tsja, en wat nu? Niks. Ik ben blij dat ik weet dat het een naam heeft.
En nog blijer dat ik dat boek over China niet gevonden heb. Anders zat ik nu thuis met de geelzucht en piepogen.

Hmmm Hmmm Humus

We wonen in een bosachtige omgeving. Dennen, berken, beuken en eiken, je vindt ze allemaal kortbij de tuin. De ene takkeboomt al wat hoger het zwerk in dan de andere. Voor beginnende scheutjes is het een hele klus om op te boksen tegen dat groene geweld. Probeer als dreumes maar eens genoeg zon te vangen.

Ons krulwilgje had er iets op gevonden. Standing on the shoulders of giants, dacht het. En ook nog: Hoeperdepoep zat op de stoep, maar het gaat hem hier vooral om dat eerste. Hij had het ongezien klaargespeeld om te kiemen in de goot.

Pas toen krulwilgje al een krulwilg was, bemerkte ik ze. Ik vond het koddig. Wie kan dat nu zeggen dat hij een boom in zijn dakgoot heeft staan. Het gaf een pittoreske touch aan het huis, net ietsje meer je-ne-sais-quoi. De natuur neemt de cultuur over. Schoon toch.
Zapvrouw zag er op het eerste gezicht ook geen graten in. Je wou toch een wingerd tegen de carport, wel nu. Krulwilgje is nog zoveel schoonder. Ze bleef matig sceptisch. Het viel me nog mee.
Alleen toen de bompa langs kwam, moest de boom eruit. Dat wees op verwaarlozing. Of zoiets.

Dus op een zonnige zondag (de eerste sedert juni vermoed ik) zat ik op het dak de dakgoten uit te mesten. Ik stond een beetje wobbelig op de ladder, onzeker mijn evenwicht zoekend, ik heb maar weinig heldendaden verricht op meer dan drie meter boven de grond.

Dus ik vanboven op een ladder die iedere minuut door het vermolmde terras kon zakken (ook dit wordt stilletjesaan aan de natuur teruggegeven). Zeg, schat, wanneer is die dakgoot laatst schoongemaakt? Ze wist het nog precies: september 2000. Toen luisterde ik nog naar Bon Jovi!
Kiekeboe!

You give love a bad name

Het was er verdorie aan te zien: Naast het boompje verwijderde ik kilo’s en kilo’s natuurlijke humus (natuurlijk natuurlijke humus, wat anders? plastieken humus? hmmhmm). Ik vond er een volledig ecosysteem, met pissebedden, de onvermijdelijke spinnen, twee soorten duizenpoten (een rosse en een wit doorschijnende) en een west-vlaamse aardworm. Ik wist dat het een west-vlaamse was, want toen ik “tettink” zei, gaf hij mij een knipoog.

Kijk dat intrigeert me nu: Hoe komt een aardworm nu vier en een halve meter hoog in een dakgoot?
Heeft een merel zijn lunchpakket verloren boven ons dak? Is dat wormbeest omhoog geklommen via de muur, kom nou? Is die pier als verstekeling aan boord gegaan van het zweefvliegtuigje dat zaterdag boven onze tuin termiekte? Is mijn aardworm de Stephen Hawking onder de kruipers en is hij via een vernuftige wijze van telekinese met behulp van een kwartpond pissebedden en twee duizenpoten in onze dakgoot gesukkeld? Een verkeerd gelopen etherische levitatie van Grote Pier?

En wat is de link met de krulwilg? Buiten dan een aanleiding om dit stukje te beginnen? En waarom denk ik dat dat boompje een krulwilg is en categoriseert Zapnimf het eerder als een arrogant stuk onkruid?

En waarom  zit ik die hier boven op de PC te typen terwijl ik ook gewoon lui weggezakt in de zetel een DVD van Derrick kan bekijken?
Een hoofd vol vragen en dat op een zondag. Het wordt weer een zware werkweek.

Ons eigenste liedje

Moose is moe. Op vrijdag kan dat wel eens gebeuren.
Daarom zal ik hier elke vrijdag een filmpje of een muziekje posten, onder het motto: Het is eens entwat anders. (voor de nederlanders onder ons, entwat is een vlaams woord dat niet bestaat).

Omdat het de eerste keer is, zal ik hier ‘ons’ liedje plaatsen. Koppels of vrienden hebben soms een liedje waar ze samen warm van worden, waar tedere herinneringen aan vasthaken zoals een spinnende poes in een pluizige pull-over. Wel laat dit dan ‘ons’ liedje worden, het liedje van de appelmoose-lezers en lurkers.
Dus hier is voor jullie, ons eigenste liedje:

 

Chinees op sterk water

Hij zat er weer. Of liever, hij zat er nog. Dertien en een half jaar geleden, zoiets ongeveer, was ik er voor het laatst. Hij was het die me toen een prettige reis toeknikte.

Hij was helemaal uit mijn memorie gewist, tot ik hem nu, veertien jaar later, opnieuw ontmoette: mijn chinees. Op dezelfde plaats, met hetzelfde hemd aan, diezelfde hondenogen, diezelfde minzame hoofdknik. Alleen door zijn haar zitten nu grijze strepen, terwijl het vroeger onvoorstelbaar zwart was.

Ik moest een klant bezoeken in Brussel vlakbij de Wetstraat. Omdat de trip ‘werk-klant en terug’ ondoenbaar is met de trein, moest ik nog eens door Brussel laveren met mijn versleten slagschip, oliespuwend en benzinebrakend, alle noeste fietsers onderweg vergiftigend.

parking loi

foto gepikt van Tom Cuppens

Dat vind ik niet eens zo erg, toch niet als het echt hartje Brussel is: Wetstraat, Pachecolaan, de tunnels van de Botanique, hoe lelijker hoe liever ik het daar heb. De eerste jaren van mijn -ahum- carrière heb ik er gewerkt. Heimwee om lelijkheid, ik had het vroeger al. Maar nu dus niet.

Ik hoest mezelf de Brusselse tunnels door, en rijd daarna de ondergrondse parkeerslang binnen op het einde van de Wetstraat. Normale mensen moeten er parkeren op verdieping min 3. Na een kwartiertje twijfelen kies ik dan ook maar voor de min 3. Het werd nog een hele toer om mijn Toyota tussen twee Mercewees te prakken. Maar het lukte.

De vergadering begint en eindigt en na anderhalf uur gezwam kan ik naar huis.

In de parkeergarage ga ik vruchteloos op zoek naar een parkeerticketfrankeermachineofhoemogendiedingenookheten. Ze staat niet op 0, niet op -1, de -2e verdieping ontbreekt precies, en op -3 staat ze ook niet.

Een vriendelijk maatpak weet me te zeggen dat hier alles nog manueel gebeurt. Je rijdt naar buiten, en als je het licht ziet, staat er een hokje, een beetje vergelijkbaar met de payage in Frankrijk. Daar zit dan een paysan die je precies weet te zeggen hoeveel je beurt kostte.

Je gooit je kaartje en je geld in een tweezijdige schuifla, hij vervangt dit door wisselgeld en een recuutje en de slagboom gaat omhoog. Terug vrij!
En in dat hokje zit hij dus nog steeds, mijn chinees, in dat donker hol vol dieseldampen en hard TL-licht.
Onaangetast, na veertien jaar nog steeds diezelfde hondenogen en diezelfde minzame hoofdknik.
Alleen door zijn haar zitten nu grijze strepen.
Door dat van mij ook.

Ik voel een droeve snik opwellen.