Ze hadden mij nog zo gewaarschuwd voor het verkeer: Brussel-Leuven, het is niet te doen op dat uur, en zeker niet als je dan ook nog in het hartje van de binnenstad moet zijn. Nu ja, in het hartje, in de “triple twee” als je het op een dartsbord zou prikken. Google maps rekende voor dat het op 26 minuten kon, en dus voorzag ik 26 minuten maal 3. Ik was er dan ook 2 keer 26 minuten te vroeg.
De receptiemadam, een jonge juffer met mopsneus, kon me niet verder helpen, zij wist ook niet in welk lokaal ik les moest geven. Maar de jonge juffer zonder mopsneus (een zwaar accident bij het kettingzaagjongleren) wist dat wel, alleen kwam die pas over 26 minuten. In tussentijd kon ik gerust plaatsnemen in de kantine, en iets drinken. Er waren automaten met allerlei plakkerigs in blikjes, maar er was ook de bar, waar je echt bier en echte wijn kon krijgen. Nou.
Ik daarheen, wat moest ik anders?
De automaten werkten op geldstukken en die lagen in de auto.
De kantine werkte op proton en dat lag in mijn verleden.
Ik wist niet eens dat dat nog bestond. Mijn laatste betaling met proton moet geweest zijn in -ik gok maar even hoor- 1969, bij de aankoop van mijn eerste Opel Kadett, een schone rooie met duitse nummerplaten.

een schone rooie met duitse nummerplaten
Het werd dus met droge keel rondgapen naar mijn medekantinezen, voornamelijk nog-net-niet-mans-jongens van 19, 20, het studentikoze type quoi. Wat niet zo verwonderlijk was, want ik zat in de refter van Hoge School Groep T. De ex-pubers dronken zonder uitzondering Duvel. Ik voelde mijn keel verzanden.
Mmmtepteptep aaaah. Mmmtepteptep aaaah.
Eigenlijk vond ik het wel amusant, hun praat zo’n beetje volgend. Hun stemmen net iets zwaarder dan dat ze van nature zijn, en vrolijk intelligent willen doen. Ik herkende de mezelf van vijftien jaar geleden erin. Alleen dronk ik toen geen Duvel, neuhneuhneuh. Deze jongen dronk toen wijn, jawel. (‘t was goedkoper – 79 frank voor een fles Minervois). Het Duvel drinken ging bij hen ook niet zo goed. Althans, de manier waarop ze hun glas vasthielden had toch iets knulligs vond ik. Tegen het eerste jaar master zou dat wel in orde komen. De school is er om te leren.
Toen liep door het beeld een dametje met hoge hakken, een gebreide vier keer te grote trui en een saccoche met veel te lang hengsel. Die moest ik volgen. Want ze had geen neus.
Het lokaal waar ik moest zijn was 11.02. Dat was de draaitrap op, vijf windingen naar boven en daar dan de aula in de hoek. Ik kreeg er ook een sleutel bij, want misschien was de deur wel op slot.

Vijf windingen naar boven en daar dan de aula in de hoek
Ik tjaffelde naar boven, voelde aan de deur en tuimelde de aula binnen. Waar ik meteen de blikken op mij kreeg van vijftig studenten en een prof wiskunde. Zo een echte, met een door merg en been snijdende stem en een grijsbruinblond page kapsel, een vrouw. Toen het licht even veranderde zag ik dat het eerder blondbruingrijs was. Ik noteerde het, je weet nooit dat ik hier nog een blogstukje over schrijf. Ik vroeg of ik nog een halfuurtje mee mocht volgen -dat mocht- en ik toetste of ik nog kon volgen. Matrixen en vectoren, determinanten en afgeleiden, daar was ik vroeger goed in!
Geen fluit wist ik er nog van. De school is er om te leren, maar trop is teveel. Een mens zou er verduveld dorst van krijgen. Maar ja, dat ging dan weer niet.
Wat me ook meteen opviel: ze schreven daar nog met krijt, zoals in de jaren tachtig! Cool! Echt krijt. In kleurtjes! Meteen besloot ik mijn slides overboord te gooien en alles op het bord te tekenen. Joepie. Krijt. (Jahoor, ik ben een groot klein kind, en dan?). Zesentwintig minuten later had ik hoofdpijn en was de wiskundeles voorbij. Haar publiek stroomde naar buiten, en mijn publiek slenterde naar binnen. Ik haastte me naar de krijtjes. Meteen had ik een veeg op mijn trui, maar ik veegde daar lekker mijn trui aan. Of zoiets.

Was ik me daar op dreef zeg!
Ik heette de studenten welkom, stelde mezelf voor, veegde het bord af, en het opstuivend stof bezorgde me meteen een kriebelkramphoest.
Kan ik je wat water aanbieden? vroeg er eentje op de eerste rij. Een Duvel liever, krochelde ik. Maar dat verwaaide in een hoestbui en niemand verstond het.
En zo ben ik toch aan water geraakt, zonder proton noch geldbuidel.
De school is er om te leren.